Lesuitval

Lesuitval wordt door veel ouders als een probleem wordt ervaren. Dat is ook begrijpelijk want elke les die uitvalt is er één te veel. Uit onderzoek is gebleken dat elke school voor voortgezet onderwijs te maken heeft met dit fenomeen en dat het dus landelijk als een probleem wordt gezien. Die onderzoeken laten ook zien dat het percentage van de lessen dat jaarlijks uitvalt varieert van 3 tot 9 procent per school met een gemiddelde van ongeveer 6%.

De voornaamste redenen voor lesuitval zijn:
1. Ziekteverzuim, zowel kortdurend als langdurig verlof
2. Bedrijfsvoering
  - Schoolorganisatie: vergaderingen, begeleiding van werkweken, stedenreizen e.a., lesvervangende activiteiten als projecten, culturele aangelegenheden e.a.;
  - Verlof op grond van rechtpositionele regelingen zoals gebeurtenissen in de privésfeer (begrafenis, huwelijk, jubilea, zorgverlof e.a.);
  - Scholing van docenten: nascholing, cursussen, studiedagen e.a.


Om lesuitval zo veel mogelijk te voorkomen zou er voor elke les die dreigt uit te vallen vervanging geregeld moeten worden. Bij kortdurend ziekteverlof is dat nauwelijks te organiseren. Als op een dag een docent zich ziek meldt kan er niet geput worden uit een pool van vervangers die à la minute kunnen komen opdagen. Op een school als de onze hebben we te maken met een veelheid aan vakken die bijna allemaal ook nog op verschillende niveaus worden aangeboden, hetgeen inhoudt dat je al zo’n 40 verschillende vakdocenten beschikbaar zou moeten hebben. Dat betekent dat voor veel vakken (en zeker op het 1e graads = hoogste niveau) vervangers op korte termijn niet voorhanden zijn. Ook binnen de school kan niet zomaar elke docent in zijn/haar vakgebied op alle niveaus lesgeven. Dat houdt dus in dat lessen die uitvallen vanwege kortdurend ziekteverzuim nauwelijks te vervangen zijn. Bij kortdurend verzuim wordt er in klas 1 en 2 steeds getracht om een docent in een vrij uur in te zetten die de klas met een gerichte opdracht aan het werk zet of in het gunstigste geval de les overneemt maar dat laatste is sporadisch. Probleem bij dat kortdurend verzuim is ook nog dat niet altijd meteen is in te schatten hoe lang dat verzuim gaat duren.


Als langdurig verzuim in beeld komt dan wordt er gezocht naar een structurele vervanging. Daarbij wordt zowel binnen als buiten de school naar vervangers gezocht. Wordt de oplossing binnen de school gevonden dan wordt vervanging vaak over een aantal docenten gespreid. Dat kan bijna alleen maar als het lesrooster wordt aangepast en zo’n operatie vereist soms ook enkele dagen werk eer dat is gerealiseerd. Ook als er een vervanger buiten de school wordt gevonden past dat ook vaak niet één, twee, drie in het rooster dus ook dat kost dan enige tijd voor de betrokkene aan de slag kan. Maar vaak zijn externe vervangers niet eens te vinden, zeker niet in de dunbevolkte streek als de onze.

Een andere oplossing waarvoor soms noodgedwongen wordt gekozen is het zogenaamd verdunnen van lessen. Dat betekent dat een of meerdere docenten eigen klassen een lesuur minder gaan geven en op die manier ruimte creëren om in andere klassen (gedeeltelijk) de lesuren te vervangen. Een ander probleem bij vervanging is dat het ook financieel niet haalbaar is om alle lessen te vervangen ook al zou er voor al die lessen voldoende vervanging voorhanden zijn. In de bekostiging zoals een school als de onze die van het rijk ontvangt zou zo’n 2% van het budget voor de te geven lessen aangewend kunnen worden voor vervanging. Het moge duidelijk zijn dat hiermee niet de ±6% lesuitval te betalen is. En als we die 2% binnen dat budget zouden willen ophogen dan zou dat natuurlijk weer ten koste gaan van het structureel aantal in te roosteren lessen in een schooljaar.

Ofschoon uit het bovenstaande wellicht duidelijk wordt dat het vrijwel onmogelijk om alle lesuitval tegen te gaan dan wel voor vervanging te zorgen dienen we er uiteraard al het mogelijke aan te doen om lesuitval tot het minimum te beperken